Donderdag 28 augustus 1997
Saint Jean Pied de Port – Roncesvalles
23 km (1653 km)
Het was een onrustige nacht. Twee medereizigers snurkten nogal en dat hield me behoorlijk uit mijn slaap. Om 07u15, na mijn ontbijtje met een verse croissant, sta ik bij de kerk op mijn medelopers, Ida en Han, te wachten. Uitgezwaaid door andere lopers gaan we op weg om de klim te beginnen. Het weer is helder en daardoor behoorlijk fris. Het gezelschap van de twee dames is goed en blijkbaar vinden ze mij ook niet echt vervelend.
De klim over de weg is pittig met stijgingspercentages tussen de 13 en 16%. Het tempo in ons groepje ligt, in tegenstelling tot wat de dames gedacht hadden, aardig gelijk. Dit met dien verstande dat ik met volle bepakking loop en zij met dagrugzakjes. De man van Ida is even over en brengt hun bagage naar Roncesvalles, het eerste plaatsje in Spanje. Naarmate we hoger komen wordt het uitzicht mooier en mooier. Terwijl de arenden in de verte rondzweven worden we getrakteerd op adembenemende vergezichten. We prijzen ons gelukkig dat we dit kunnen en mogen doen. In deze omgeving wandelen is een voorrecht met dit mooie weer. Gisteren regende het nog de hele dag ….
Bij een klein stenen schuilhuisje, ongeveer op 650 meter hoogte, houden we halt voor een kop meegebrachte koffie. Vlak voor we op willen staan komt mijn Italiaanse vriend uit de refugio langs. Hij heeft een enorme oranje rugzak op met buitenframe en hij zucht en puft van inspanning. Met z'n vieren lopen we verder. Met het klimmen van de meters wordt het frisser en frisser. De lange broek en de fleece zijn al een tijdje aan als er ook nog eens een straf windje bijkomt. Er is hier maar heel weinig beschutting. De Italiaan maakt ons duidelijk dat we al op 1130 meter hoogte zitten. Hij heeft een hoogtemeter bij zich.
In de beschutting van een kleine uitholling in de berg en in het zonnetje gaan we lekker zitten om wat te eten. Het uitzicht is fantastisch en op het puntje staat een klein Mariabeeldje op een stapel stenen. De Italiaan gaat gestaag verder onder het roepen van ‘piano, piano' wat zoiets betekent als ‘rustig, rustig'. Sindsdien heet hij Piano, makkelijk om te onthouden.
Tot nu toe hebben we op de weg gelopen en nu mogen we voor de afwisseling over het gras. Het pad leidt ons dwars over een veld langs paarden en schapen. Ik kan me voorstellen dat de route wat onzichtbaar wordt bij slecht weer, dan mis je gewoon de markeringen. Het pad is niet zo makkelijk te zien. Het hoogste punt van de dag is op 1450 meter. Toch een hele klim, St. Jean Pied de Port ligt op 145 meter hoogte en de tot nu toe afgelegde afstand zal ongeveer 17 kilometer zijn.
De afdaling zet rustig in en we passeren de Spaanse grens. Wat een mijlpaal, ik heb Spanje gehaald! De grens is niet meer dan een hek van prikkeldraad en een wildrooster, maar toch. We maken een foto van elkaar om dit vast te leggen.
Door een bos en via gladde paadjes dalen we af richting Roncesvalles. De afdaling is soms steil en glad en één keer ga ik onderuit. Dat is de eerste keer dat ik val sinds ik van huis vertrokken ben. Dat valt mee… Als we Roncesvalles door de bomen zien liggen gaat er een zucht van verlichting door ons heen. Dit is ook weer gehaald, die Pyreneeën vielen best mee. Helaas begint het vlak voordat we in Roncesvalles zijn te regenen. Dan nog maar even het regenpak aan om vervolgens het uit een kerk, refugio, conferentiecentrum en twee hotels bestaande plaatsje te betreden. Piano zit al voor de refugio die om 16u00 open gaat. Terrasje pakken dus. De man van Ida komt langs en verlaat ons weer nadat hij de bagage voor de dames heeft afgegeven.
De refugio is in het kloostergebouw en bestaat uit twee zalen met in totaal 50 bedden, twee wc's, meestal koud water en (tot teleurstelling van Ina en Han) géén keuken. Gelukkig heb ik een brander bij me en zij wat te eten. Zo sluiten we een deal. Om 20u00 wonen we de pelgrimsmis bij en krijgen we de zegen. Ik versta er niks van maar begrijp wel dat God nu ook in Spanje met ons is.
------------------------------------------------------------------------------------
Vrijdag 29 augustus 1997
Roncesvalles – Larasoaña
27 km (1680 km)
Het is even wennen om met z'n dertigen op een slaapzaal te slapen. Ik ben natuurlijk wekenlang min of meer alleen geweest. De een draait, de ander snurkt. Iedereen maakt geluid. De fietsende Belg bepaalt het ritme van de dag door om 7u00 het licht aan te doen. Dat is voor iedereen het signaal om te gaan rommelen en om 8u00 lopen Ida, Han en ik gedrieën Roncesvalles uit om na enkele kilometers de Camino al kwijt te raken. We besluiten maar gewoon door te lopen, omdat de weg waarop we lopen de Camino later toch weer kruist.
Onderweg komen we een benzinestation tegen waar deze wandelaar even benzine kan tanken, om te koken dan. Ik heb het tankje graag tenminste half gevuld, om maar een beetje flexibel te kunnen zijn. Gisteren kwam het goed van pas.
De Camino slingert zich een beetje om de weg heen, al lopen we er weinig op. Meestal lopen we door het bos over paden met veel losse keien. Als we onderweg op een terrasje van een kopje koffie en mijn eigen meegebrachte spritsjes genieten krijgen we aansluiting van een Fins meisje, Jatta. De pauze is een gezellige boel als ook Piano ons voorbijloopt. Als we na de pauze vertrekken zijn we met z'n vieren. Jatta en ik lopen samen en Ida en Han lopen samen. Wat mij betreft klikt het aardig met Jatta, ze loopt vrij snel en we zitten aardig op dezelfde golflengte. Het blijkt dat ze vorig jaar in een opwelling een klein stuk van de Camino heeft gelopen. Vorige week heeft ze besloten om de rest te gaan doen, heeft ze haar spullen gepakt, een ticket gekocht en is ze gegaan. Gisteren om 14u00 is ze te voet uit St. Jean Pied de Port vetrokken en pas om 20u00 was ze in Roncesvalles. Dat is lef hebben.
Het is gezellig om met z'n tweeën te lopen. Lekker keuvelen over dit of dat, af en toe wat serieus. Het houdt de aandacht een beetje af van de pijntjes van mijn lichaam. Ook na twee maanden lopen zijn die pijntjes er, iedere dag wel een andere.
Een paar kilometer voor de refugio van Larasoaña doen we inkopen bij een klein winkeltje. We komen daar Piano weer tegen die ons al eerder kenbaar had gemaakt deze avond voor ons allemaal spaghetti te gaan maken. Á la Italiano, mét tomato-frito. Hij is dolenthousiast. In z'n beste Spaans-Italiaans maakt hij het ons en de verbaasde mensen van de winkel duidelijk.
De refugio in Larasoaña ziet er heel aardig uit. Hij beschikt over een goede keuken, lekkere bedden en een hartelijke ontvangst. We kunnen zelfs lekker buiten zitten. Dat is lekker voor mezelf en lekker voor de kleren die ik zo uit kan hangen. Onder luide aanwijzingen maakt Piano samen met Han de spaghetti klaar. De maaltijd wordt genoten in een curieus gezelschap. Piano (Italië), Jatta, (Finland), Gabriel en Miguel (Spanje) en Ida, Han en ik (uit Nederland). Het is een multiculturele taaloorlog aan tafel. Er wordt van alles door elkaar gebabbeld. Vreselijk vermoeiend maar ook vreselijk leuk. De spaghetti smaakt uitstekend. Dat moet wel, daar is hij Italiaan voor. Piano, die Umberto blijkt te heten, blijkt een soort sjerpa te zijn in de Dolomieten en de Alpen. Vandaar zijn schijnbaar moeiteloze tred (wel met veel gepuf) met de grote rugzak. Dit is een avond om te herinneren.
------------------------------------------------------------------------------------
Zaterdag 30 augustus 1997
Larasoaña - Pamplona
15 km (1695 km)
Dat was een fijne nacht met maar een beetje gesnurk. Sinds lange tijd slaap ik om de een of andere reden niet zo best, dus dit is een van de betere nachten. We ontbijten gezellig met z'n allen, mét koffie. Het is leuk om vandaag weer gezellig samen met Jatta te lopen en zo de volgende mijlpaal Pamplona te bereiken.
Na maar een korte wandeldag lopen we via een oud stuk vestingwerk de stad in. Dit is een betere entree dan menig andere grote stad, die meestel gaat via een grote weg met industrieterreinen en supermarkten. Pamplona is een aardig grote stad met in de oude stad de bekende smalle straatjes en hoge bebouwing. Tussen de bebouwing hangen vaak lappen stof die als zonnescherm functioneren. Samen met de hoge bebouwing en smalle straatjes wordt de zon een beetje buiten gehouden. Het maakt echter wel een beetje saai en ook redelijk fris.
Al snel bereiken we de refugio midden in de stad en Jatta en ik besluiten om de rugzakken achter te laten en de stad verder te gaan verkennen. Misschien lopen we later dan nog wel de 5 kilometer naar het volgende plaatsje, Cizur Menor. Ida en Han blijven in ieder geval hier slapen vannacht om aan Piano te ontsnappen. Dat is ook wel een idee.
We drentelen een beetje door de stad en kunnen bij een bakkertje de verleiding niet weerstaan om naar binnen te gaan en een lekker zoet broodje te kopen. In een winkeltje om de hoek kopen we ‘jus de peren' en we strijken neer op een bankje om alles te nuttigen. We hebben weer een goed gesprek. Ik klink misschien wat serieus, maar dit meisje heeft wel wat te vertellen en dat is interessant. Daarbij is het ook leuk om mijn verhaal te kunnen vertellen aan iemand die me begrijpt.
We lopen naar het centrale plein en eten wat warms. Een beetje een platte hap, maar dan hebben we dat in ieder geval weer gehad voor vandaag. Vanavond is er een skeelerwedstrijd, rondjes op het plein. Misschien wel leuk om te gaan zien. Uit voorzorg voor de zondag van morgen proberen we nog wat brood te kopen, wat ons wederom een rondje Pamplona oplevert. Dat is zo makkelijk nog niet, maar we eindigen met ruim voldoende brood voor morgen. We besluiten niet verder te lopen naar de volgende refugio, er is nog voldoende plek hier. Buiten op het bankje voor de refugio nuttigen we het avondeten, binnen is het wat té druk. Er is maar weinig ruimte en er zijn veel mensen. Buiten zijn er ook veel mensen, maar is er ook meer ruimte. Het is zaterdagavond en tijd voor de Spanjaarden om te gaan flaneren door de straten van Pamplona.
Die drukte is goed te merken als we gaan slapen, wat al vroeg is. De refugio gaat om 22u00 op slot, wat een avondprogramma onmogelijk maakt. De ramen staan vanwege de warmte open en het geluid dat van buiten komt doet de slaapzaal op een uitgaanscentrum lijken. Dat gaat uiteindelijk tot 04u00 door.
------------------------------------------------------------------------------------
Zondag 31 augustus 1997
Pamplona – Puente la Reina
24 km (1719 km)
Inderdaad waardeloos geslapen vannacht. Er was veel te veel herrie buiten en samen met het gesnurk binnen deed dat mij verlangen naar mijn tentje. Toch geeft een refugio ook veel gezelligheid, door de kennismaking met andere mensen en het uitwisselen van ervaringen en tips. Het is heel wat anders dan Frankrijk.
Samen lopen we de stad weer uit, waar we onderweg broodjes kopen voor onderweg. Papmplona is een aardig grote stad met een universiteit en vestingwerken. Buiten de stad is het plat. Pamplona ligt in een soort droge vlakte met lage begroeiing en bergen rondom. We passeren enkele jagers die op vogels schieten met lood. Als de vogels in onze richting vliegen schiet de jager vrolijk door en de lading kogeltjes valt niet ver van ons in het gras. Ik hoop dat die weinige vogeltjes die er zijn nu even de andere kant op gaan vliegen.
Na ongeveer 10 kilometer op weg te zijn gaan we even in het gras zitten voor een lekker rozijnenbroodje. Pamplona ligt in de verte. Aan de andere kant staan de windmolens die vanuit Pamplona al zichtbaar waren, op de rand van de bergen. Ze vormen een mooi richtpunt voor vandaag. Dat betekent dat we vandaag in ieder geval een heuvel op moeten en dat is voor Jatta geen prettig vooruitzicht. Ze heeft last van haar knie bij het afdalen en vreest daardoor heuvels of erger, bergen.
Uiteindelijk boven aangekomen worden we geroepen door Ida en Han die ons wat voor waren. Het blijkt dat we op een haar na de éénmaal per jaar hier buiten gehouden kerkdienst zijn misgelopen. Het is hier hartstikke druk. Han en Ida waren wel op tijd. Zo kom je hier nooit, zo ben je 10 minuten te laat.
Vanaf hier is het nog 11 kilometer naar Puente la Reina, dat in de verte al zichtbaar is. Nu eerst nog een steile afdaling voor welke ik mijn stok aan Jatta afsta. Dat geeft haar wat meer steun en zekerheid. Fysiek is ze verder verbazingwekkend sterk voor iemand die pas 4 dagen aan het lopen is. Vlak voor Puente la Reina wordt het uithoudingsvermogen nog even op de proef gesteld als blijkt dat we pas in Obanos zijn. Nog 2 kilometer te gaan.
De refugio is gevestigd in een oud gebouw met keuken en stapelbedden van 3 hoog. Er is geen toezichthouder en dus geen tijd waarop iedereen in bed moet liggen. De meesten slapen toch wel om 22u00. We kiezen alle 4 een hoogste bed uit. Het is even klimmen, maar eenmaal boven heb je nergens last van. Behalve dat je rustig moet slapen en niet teveel draaien, want van 2,50 meter hoogte val je hard.
Omdat het zondag is gaan we uit eten, een pelgrimsmaal in het lokale restaurant. Voor ongeveer 20 gulden krijgen we met z'n vieren 3 gangen, wijn en brood. Dat valt best mee. Het is ontzettend gezellig met z'n vieren. In alle talen begrijpt iedereen alles.
------------------------------------------------------------------------------------
Maandag 1 september 1997
Puente la Reina - Estella
19 km (1738 km)
Ik zie uit naar een nachtje slapen zonder veel wakker te worden. Het zal vast wel een keer gebeuren, maar afgelopen nacht kwam het er weer niet van.
Onderweg lopen Jatta en ik en Ida en Han in 2 groepjes. We komen elkaar tegen als we koffie gaan drinken in Ciraqui. Andere lopers gaan net weg en we zitten weer met z'n vieren. Ida en Han hebben altijd koffie bij zich en trakteren ons er vaak op. Jatta en ik moeten ook wat gaan verzinnen om hen aan te kunnen bieden. Alleen maar nemen is ook niet eerlijk.
Even na Ciraqui lopen we op een oud Romeins pad met een op het oog al even oude brug. De brug is in een wat vervallen staat en zorgt voor een aardige klauterpartij, maar het is de moeite waard. Even later begint het te regenen. De Gore-Tex jas gaat aan en de regenhoes over de rugzak. Het duurt niet zo lang maar er dreigt duidelijk meer. Ondanks de regen pauzeren we wel, met wat brood, net als anders. Misschien moeten we eens wat met eten gaan variëren. Het wordt een beetje eentonig met al dat brood.
De refugio in Estella is vrij nieuw. Er is een grote keuken, een zitgelegenheid en er zijn 2 slaapzalen. Doordat de bedden middenin de zalen staan is het wel wat vol en als er meer mensen komen wordt het misschien wat krapjes. Ik duik gelijk onder de ruime en warme douche. Ik bedenk me dat ik misschien wat meer afstand moet nemen van Jatta. Het is een leuke meid maar ik moet straks weer alleen door. Na Logrono gaat ze een stukje overslaan, omdat ze dat vorig jaar al heeft gelopen. Misschien moet ik me daar niet zo mee bezighouden en maar gewoon genieten van hoe het nu is en niet al treuren om wat komen gaat. Dat wordt weer anders.
Ida en Han koken vandaag, morgen koken wij. Jatta en ik hebben dus even de tijd om het stadje in te lopen, in de regen. We waren mooi op tijd in de refugio, iedereen na ons is doornat aangekomen en het is nu veel drukker. Het stadje is prachtig. Kleine straatjes, veel winkels en leuke huisjes. Leuk om hier rond te lopen. Ida en Han hebben heerlijk gekookt. Rijst met kip, wijntje erbij. Ik ga vanavond maar eens slapen met oordopjes, van wc-papier gemaakt. Hoor ik hoogstens het ruisen van het toilet.
------------------------------------------------------------------------------------
Dinsdag 2 september 1997
Estella – Los Arcos
21 km (1759 km)
Best fijn geslapen, zo met wc-papier in de oortjes. Fijn spul, dat me gesnurk en autogeluiden bespaarde. Estella is ook vandaag een mooie stad al hangt er een heel andere sfeer dan gisteren in de regen. De lucht is helder, de gebouwen mooi. Ik heb even alleen bij de kerk gezeten en dat heeft me goed gedaan. Anti-sociaal zoals Jatta dat noemt. Ik had even geen zin in gezelschap, dat heb je wel eens.
Om 08u30 al komen we bij de ‘Bodegas Irache'. Hier zit een kraan in de muur (de Fuente del Vino) waar je als pelgrim gratis water of rode wijn kan tappen. Het vroege tijdstip weerhoudt menigeen er niet van om een glas wijn te nemen, daar waar anderen hun drinkflessen ermee vullen.
Een deel van de route vandaag is erg modderig. De regen van gisteren heeft z'n sporen nagelaten. Op sommige plekken zak je tot over de enkels weg in de modder. Dat levert rode, zware schoenen op. We praten of we nooit anders gedaan hebben. Dat is een grappig gevoel, zeker voor mij, nadat ik al 2 maanden alleen heb gelopen.
Het laatste stuk van de dag is vrij vlak en loopt door deels in onbruik geraakt landbouwgebied. In het midden van dat ‘niets' gebruiken we de lunch. Iedereen trekt wat uit de rugzak en het is heerlijk genieten zo. Vanmorgen hadden we al koffie met een assortiment aan koekjes. De koekjes als bijdrage van Jatta en mij aan de door Ida en Han meegebrachte koffie. Zo pauzeren met een groep is gezellig, je neemt er de tijd voor. In mijn eentje stap ik vaak door en eet vaak tijdens het lopen.
Los Arcos blijkt een leuk plaatsje met een verrassend mooie refugio. Er zijn zelfs kamertjes met deuren waarachter de ergste snurkers kunnen worden opgeborgen. Dan kan ik tenminste rustig slapen. Ik gebruik de middag om mijn dagboek bij te werken en boodschapjes te doen voor het eten, dat Jatta en ik gaan maken. Het kleine assortiment van de winkel vraagt wat creativiteit in de samenstelling van de maaltijd. Uiteindelijk blijkt het eten alle gasten goed te vallen.
Het is een dolle boel in de refugio. Een van de Spaanse dames is jarig en dat wordt gevierd met wijn die eerder op de dag is meegenomen. Niet iedereen heeft kunnen wachten met het drinken van de getapte gratis wijn. Een Duitse medepelgrim heeft zijn liter gedurende de dag gedronken en heeft er zo een gezellige dag van gemaakt. Voor sommigen werd ie wat té gezellig.
------------------------------------------------------------------------------------
Woensdag 3 september 1997
Los Arcos - Logroño
28 km (1787 km)
Na een alweer gezellig ontbijt met z'n allen gaan we op pad voor de laatste dag samen. Vandaag gaat Jatta met de bus verder en zal ik ook afscheid nemen van Ida en Han en in mijn eigen tempo doorgaan. Onderweg drinken we koffie op een dorpspleintje waar we meerdere wandelaars tegenkomen. Het is lastig voor te stellen dat de leuke tijd met Ida, Han en Jatta voorbij is vandaag. Gelukkig laat ik me door die gedachte niet al te zeer van de wijs brengen, dat kan altijd nog.
Ook in dit dorpje weten we de kerk in te komen, met dank aan de steeds terugkerende zoektocht naar de sleutel van de kerk door Ida. Het kerkje is achthoekig van vorm en héél klein. We genieten ademloos van dit moois.
In Najera slaan we kamp op voor de lunch aan de voet van de kerktoren. Het is een gezellig druk pleintje met veel Spanjaarden en pelgrims op de Camino. We kopen wat lekkere dingen en trakteren. We zijn er 1,5 uur zoet mee, inclusief een bezoekje aan de weer indrukwekkende kerk.
Het resterende deel van de dag naar Logroño gaat snel. Ons afscheid komt met dezelfde snelheid dichterbij. De refugio in de stad blijkt vrij groot, met grote slaapzalen en is netjes en verzorgd. Jatta en ik maken een wandelingetje door de stad. We gaan via een terrasje met een goed gesprek en wat boodschapjes naar het bus- en treinstation. Het blijkt dat de bus voor de door haar af te leggen afstand van circa 200 kilometer naar Castrojeriz sneller is dan de trein. De bus vertrekt morgenvroeg om 8u30.
We gaan met z'n vieren uit eten en delen de kosten voor Jatta. Het is gezellig en ontroerend tegelijk.
------------------------------------------------------------------------------------
Donderdag 4 september 1997
Logroño – Santo Domingo de la Calzada
47 km (1834 km)
Samen lopen we naar het busstation en we beloven dat we contact gaan houden. Vlak hiervoor hebben we in de refugio al afscheid genomen van Ida en Han. Jatta huilde en ik had het ook even te kwaad. Het is bijzonder hoe snel ik me ben gaan hechten aan mensen die ik pas zo kort ken. Jatta zal het niet makkelijk gaan krijgen als ze straks alleen verder gaat en ik ook niet. Als ze in de bus gaat zitten doe ik mijn rugzak om en zwaai nog een keer. Met tranen in mijn ogen loop ik weg, alleen verder.
De route de stad uit is slecht gemarkeerd. Met wat geluk en de hulp van een paar Schotten gaat het toch goed en al snel kom ik Ida en Han weer tegen. Mijn zonnebril verhult mijn rode ogen, ik ben stil. Na ongeveer 12 kilometer houden we halt op een schaduwrijk pleintje, om niet veel later te verkassen naar een terrasje. De laatste gezamenlijke koffie met eierkoeken is op mijn rekening. Ik ga weer afscheid nemen, nu valt het lichter. Het was een mooie week samen, ik ga nu echt alleen door.
Vandaag gaat de tocht veel langs de grote weg en door een tranendal. Tijden veranderen en zingend en in het Fins tot 10 tellend sleur ik me voort. Ik kan in ieder geval in het Fins tot 10 tellen, dat vergeet ik mijn leven niet meer. Misschien dat ik vandaag maar even flink ver moet gaan lopen om mijn overtollige energie kwijt te raken. Als ik me goed voel dan ga ik dat ook doen.
Na 47 kilometer arriveer ik om 19u00 in Santo Domingo de la Calzada. De refugio is gevestigd in een oud gebouw op zolder. Er zijn voor de verandering geen stapelbedden, er is wel een keuken en een grote tafel. Ik doe wat inkopen en kook voor mezelf. Onderwijl heb ik een gesprek met Hans uit Nederland. Ik heb eerder van hem gehoord en had hem de groeten moeten doen, wat ik vergeten ben. Het verrast me dat ik hem nu al inhaal. We slapen met slechts 3 mensen op de slaapzaal, een lekkere rustige nacht.
------------------------------------------------------------------------------------
Vrijdag 5 september 1997
Santo Domingo de la Calzada – San Juan de Ortega
46 km (1880 km)
Voor de verandering heb ik bijzonder goed geslapen, als ik even na 07u00 opsta. De beentjes voelen nog goed na de vele kilometers van gisteren. Ik nuttig het me voorgezette ontbijt aan tafel en ga snel op weg. Binnen een paar kilometer passeer ik de mede pelgrims uit de refugio. Een paar kilometer loop ik met een man uit Zuid-Afrika. Z'n vrouw en schoonzus hebben het wat lastig en lopen een eindje achter ons. Onder wederzijdse aanmoedigingen nemen we alweer afscheid om de N120 te verlaten. Dit genoegen duurt niet lang. Via wat landweggetjes word ik weer teruggevoerd naar de N120 en zo loop ik weer een paar kilometer met de hand op de pet vanwege de langs stormende vrachtwagens.
Als ik na een paar kilometer vlak na een dorpje weer zicht heb op de N-weg zie ik Umberto (Piano) weer lopen. Heb ik hem nu al bijgehaald? Hij loopt in gezelschap van een Colombiaanse dame die net in een auto stapt. Ze kan geen pap meer zeggen. De vraag is: van het lopen of van het samenzijn met Umberto?
Onder het af en toe passeren van elkaar lopen we naar Belorado waar we in de refugio hartelijk worden ontvangen met een stempel en een stuk taart. Het is hier blijkbaar een feestdag en ik ben getuige van een vrolijke optocht, die zo de kerk in gaat. De mensen zijn voorzien van castagnetten en gestoken in originele lokale klederdracht. De refugio staat onder Zwitserse leiding. Dat is makkelijk in de communicatie. Toch loop ik ondanks al deze gezelligheid door naar de volgende plaats, in de wetenschap dat ik niet alleen ben. Umberto is ook nog onderweg. Zo loop ik via enkele tot ruïne verworden dorpjes en over vrij vlak land kom ik in Villafranca. Een weinig intrigerend plaatsje met als voornaamste bezienswaardigheid een truckstop. Hier ga ik maar niet blijven en volgens Umberto is de refugio ook niks. Ik koop wat koekjes en cola en wissel mijn sokken. Door de warmte maar vooral door het aantal kilometers dat ik loop gaan de voeten wat irriteren. Er verschijnen rode plekjes, goed opletten dus. Nog 12 kilometer te gaan naar de volgende refugio.
Via een pittige klim kom ik op een met stenen bezaaid pad terecht waar ik Umberto weer passeer. Als het pad daarna verandert in een buldozerbrede laan met bomen aan weerszijden slaat de verveling toe. Saai, saai, saai, tot San Juan de Ortega als een oase uit de bossen opdoemt. Een prachtige plek met een kerk, veel bijgebouwen, wat huizen en vooral veel pelgrims. Het is er druk.
Blij dat ik er ben neem ik een douche en ga daarna in de zon zitten om mijn dagboek bij te werken. Fout gedacht. Door de vele pelgrims hier heb je nogal snel aanspraak, zo ook ik. Ik zit naast een Amerikaan, genaamd John. Het is interessant om met hem te praten. Hoe komt iemand van zo ver weg nu op het idee om de Camino de Santiago te gaan lopen? Het gesprek gaat vloeiend over in een gesprek met twee Nederlanders uit dezelfde groep. Met mijn dagboek wordt het zo niks, met het mensen ontmoeten wel.
In de lokale bar eet ik een hap voor 600 peseta's inclusief cola. Aansluitend worden de pelgrims in een van de bijgebouwen door de pater getrakteerd op een kop onvervalste knoflooksoep. Dat doet hij blijkbaar elke dag hier, hij staat erom bekend. Het is niet bijzonder van smaak, maar wel een bijzondere entourage en heel erg gezellig. Vandaag is ook de laatste dag dat ik Umberto zie. Hij slaapt boven me in het stapelbed, wat een rustgevende gedachte is. Hij blijft meestel de hele nacht doodstil in bed liggen zonder zich te bewegen of te snurken. Dat is wel lekker in dit gammele stapelbedje en de gehorige ruimte.
------------------------------------------------------------------------------------
Zaterdag 6 september 1997
San Juan de Ortega – Hornillos del Camino
45 km (1925 km)
Als om 6u45 het gestommel begint, besluit ik ook maar op te staan. Het is nog stikdonker, dus rustig aan. Onder aanzwellende kerkmuziek die uit de boxen komt, worden de pelgrims die nog dachten door te slapen ook gewekt. Een bijzondere plek hier. Even na 7u00 drink ik een bak koffie met melk en véél suiker. Daar word ik wél wakker van.
Het is frisjes buiten, met wind en motregen. We zitten op 1000 meter hoogte in laaghangende bewolking of beter gezegd: op hoog land.
Zo gauw het licht wordt vertrek ik, nog in gezelschap van de Nederlanders en de Amerikaan met z'n vrouw. Dat gezelschap duurt niet zo lang en even later marcheer ik alleen door, de mist in. Het pad voert over een bergrug heen, een karrespoor met veel stenen en modder. Ik heb er zin in. Fysiek voel ik me prima, de motivatie doet de rest. Santiago is in zicht en ik houd het me zelfs voor mogelijk dat ik Jatta weer zal passeren. Als ik in dit tempo doorloop moet dat goed mogelijk zijn, los van de vraag of ik dat wel wil.
Al snel ontmoet ik in de mist een Zwitser en Spanjaard die al in het donker vertrokken zijn. Ze lopen ontzettend snel, maar ik ook. Aanhaken dus, in de harde koude wind en motregen. Ik heb mijn Gore-Tex outfit aan en zij lopen in korte broek en t-shirt. Koud man! Met schijnbaar gezwinde spoed lopen we via tot ruines vervallen dorpjes naar Burgos, om daar even na 11u30 aan te komen. Dat was 25 kilometer in 4 uur.
In een barretje bij de kathedraal drinken we een biertje en frisje, onze wegen scheiden hier. De Spanjaard gaat naar huis in San Sebastian en de Zwitser loopt in zijn eentje nog even door. Met verbazing kijk ik naar de televisie, als ik hoor dat prinses Diana door een auto-ongeluk is omgekomen. Het is al een paar dagen geleden, maar dat had ik even gemist. Nadat ik weer met mijn voeten in deze realiteit ben gezet, ga ik even boodschapjes doen. Droogvoer voor nu en vanavond, lekker licht om mee te nemen. Daarna hervat ik mijn weg richting Castrojeriz. Een wat saai stuk via een onaantrekkelijke voorstad van Burgos en een open kale vlakte.
In Tarjadoz bezoek ik de refugio en geef mezelf een stempel. De Zwitser blijkt hier te blijven overnachten. In de wetenschap dat ik nu waarschijnlijk nog de enige wandelaar op deze etappe ben loop ik door. Het is nog 10 kilometer naar Hornillos, wie weet wat ik daar vind.
Onderweg op de Meseta kom ik groepjes nonnen tegen die aan het wandelen zijn. Van één van hen krijg ik wat snoep en een insigne ter aanmoediging. Ze blijkt erg begaan met de Camino en de pelgrims. Leuk om te horen, ook in het Spaans. De meseta blijkt zoals verwacht boomloos en warm. Gelukkig staat er een harde wind die enige verkoeling biedt. Petje op tegen de zon en soms de mouwen van mijn shirt naar beneden om te voorkomen dat ik al te zeer verbrand.
Hornillos del Camino is een plaatsje langs de Camino in het niks. In het plaatsje is ook niks. Gezellig. Gelukkig is er wel een Coca-Cola automaat, dus een eerste vriend heb ik al snel gemaakt. Als ik even voor de refugio zit uit te puffen komt er een Frans echtpaar op de fiets aan. Die heb ik al eerder gezien, ik loop blijkbaar net zo snel als dat zij fietsen.
Met veel moeite weten we iemand te vinden met de sleutel van de refugio. We zijn nu met z'n vieren, er is ook een Nederlands/Belgisch sprekende Duitser aangekomen. De refugio is prima voorzien en met het kleine gezelschap lekker rustig. Samen gebruiken we de door de Fransen bereide maaltijd, ze hadden meer dan voldoende bij zich. Ik vind nu ook eindelijk de tijd om mijn dagboek weer eens bij te werken, in serene rust en met veelvuldig bezoek aan de Coca Cola machine.
------------------------------------------------------------------------------------
Zondag 7 september 1997
Hornillos del Camino – Carrion de los Condes
63 km (1988 km)
Ik heb lekker rustig geslapen vannacht. Dat is het voordeel van weinig mensen in de refugio. Na de reveille heb ik rustig een ontbijtje genoten met koffie om daarna de medepelgrims achter te laten en met frisse moed mijn reis te vervolgen. Het saaie deel van de Meseta zet zich ook vandaag voort en na 10 kilometer bereik ik Hontanas. Alweer een dorpje in verval, maar ditmaal wel met een refugio. Ook dit dorpje lijkt een beetje op een vuilnisbelt. Er staan veel verlaten huizen en de rommel ligt verspreid op straat.
Na Hontanas gaat de weg via een vlak stuk naar Castrojeriz, daar waar Jatta weer aan haar wandeling begonnen is, een paar dagen geleden. Even kan ik niet beslissen of ik nu mijn fleece aan of uit doe. De zon begint al door te breken maar tegelijk staat er best wel wat wind. Wat een zorgen. Ik voel al dagen dat ik tegen een verkoudheid aanzit en moet dus oppassen met die koude wind. Het zou wat zijn, verkouden worden als het overdag meer dan 30 graden is.
Castrojeriz is ook in verval, al staat er aan het begin van het dorpje een kerk met een prachtig interieur. Hij staat daar, weliswaar omringd door autowrakken, maar toch. Een al even prachtig Spaans meisje geeft deze onverzorgde pelgrim een stempel op de Credencial. Bij de bakker aan de andere kant van het dorpje, ook open op zondag, haal ik een zakje kokosmakronen. Dat gaat erin als koek! In de refugio keuvel ik wat met de beheerder, die me waarschuwt voor het komende stuk van 17 kilometer, zonder eten en water. Dan maar een beetje meer meenemen dus.
Na Castrojeriz volgt een scherpe klim en een al even scherpe afdaling. Deze afdaling neem ik rennend. Ik laat me gewoon vallen, met dien verstande dat ik goed oplet waar ik mijn voeten plaats. Dat gaat best snel zo. Als je kilometers wilt maken op een dag moet de snelheid ook hoog zijn zal ik maar zeggen.
In Boadillo del Camino, weer een verlaten en half vervallen dorpje, kom ik tot mijn verbazing Miquel tegen. Miquel is een klein Mexicaantje die we eerder zijn tegengekomen. Hij leeft van wat ie krijgt en loopt zo de Camino. Je zou hem ook een zwerver kunnen noemen. Hij loopt in het gezelschap van drie Duitsers en zij hebben de hele dag samen gelopen. De drie Duitsers blijven hier en het Mexicaantje loopt door, inmiddels voorzien van een rugzak, kleding en geld. Hij heeft alles inmiddels aardig bij elkaar gescharreld. We lopen niet samen op, omdat ik voor de tweede keer vandaag van sokken wissel. Door de warmte worden ze snel nat en dus laat ik ze tussendoor aan de rugzak drogen.
Langs een kanaaltje, voor de afwisseling gevuld met water, loop ik over een sluisje Fromista in. Bij de refugio vraag ik om een stempel en maak ik een praatje, onder andere met een Nederlander. Ik ben de eerste landgenoot die hij ziet in 68 dagen. Helaas voor hem is de ontmoeting maar kort, ik besluit door te lopen naar de volgende refugio. Als er een geschikte dag is om een aansprekend aantal kilometers te gaan lopen dan is het vandaag wel. Het is net 16u en ik heb er 44 kilometer op zitten. Ik ga eens zien hoever ik kom. Er is zo ongeveer om de 6 kilometer een refugio, dus als het niet meer gaat kan ik zo stoppen.
De route is makkelijk te lopen, een grindpad langs de autoweg. Het wandelen wordt na al die kilometers wel wat pittiger. De voeten gaan irriteren en de spieren worden wat stram. Ik sla tussendoor mijn benen even los en doe me tegoed aan de meegebrachte noga. Met wat zingen en me focussen op mijn doel van vandaag trek ik me de kilometers door. Als ik bij Villalcazar de Sirga weer mijn sokken wissel, komt er een Fransman aangelopen. Hij is bij de lokale refugio geweest maar vond dat er te weinig mensen waren om het gezellig te maken en heeft besloten 6 kilometer verder te lopen. Dat doen we dan maar samen. Wel zo gezellig, want ik ben een beetje op. De Fransman heet Jean-Claude, is 60 en loopt veel en vaak. Hij is van plan om verspreid over een periode van 3 jaar naar Marokko te gaan lopen, dit jaar is het eerste.
Na 6 zware kilometers komen we eindelijk in Carrion de los Condes uit. In de refugio weet ik iedereen stil te krijgen als ik zeg dat ik vanmorgen lopend vanuit Hornillos del camino ben vertrokken. Dat is 63 kilometer terug. Zelf word ik er ook even stil van, blij dat ik er ben. De Fransen van de afgelopen nacht zijn er ook weer, op de fiets. Ze zijn met stomheid geslagen als ze me zien.
Zo goed als mogelijk probeer ik uit te rusten. Het is al laat als Jean-Claude en ik nog een hapje gaan eten. Het is niet goedkoop, maar wel veel. Dat is wel nodig. Vanaf nu ga ik maar eens rustig aan doen.
------------------------------------------------------------------------------------
Maandag 8 september 1997
Carrion de los Condes – El Burgo Raneros
55 km (2043 km)
Wederom neem ik afscheid van mijn Franse vrienden. ‘Misschien tot vanavond' grappen we. Maar vandaag ben ik niet van plan zo idioot ver te gaan lopen, dus de kans is klein. Met de kilometers van gister nog voelbaar in de benen sla ik bij het lopend ontbijt alvast een colaatje achterover. Voor de energie.
We beginnen vandaag met 17 kilometer niets. In de vroege morgen is dat niet zo erg. Het is nog niet superwarm en dus hoeft er niet veel water mee. Het pad ligt bezaaid met stenen en is vlak en saai. Halverwege kom ik een Duitse jongen tegen. We maken kort een praatje en al snel licht ik weer mijn zorgvuldig afgeplakte hielen. Ik ben al snel in Calzadilla de la Cueza. Daar haal ik een stempel bij de refugio en informeer ik even naar Jatta. Ze heeft hier van vrijdag op zaterdag geslapen. Ze loopt dus 3 dagen voor me, gewonemenseloopdagen dan.
De weg na Calzadilla de la Cueza vervolgt zich al even saai als dat ie daarvoor was. In Tenadillos de Templarios geniet ik van een lunch met veel yoghurt en vers fruit, waarna ik via een stoffige heuvelachtige weg uitkom in Sahagun. Ik heb er nu al 37,5 kilometer op zitten en heb er zin in. De refugio is hier gevestigd in een mooi gebouw, waar ook Jatta weer blijkt te zijn geweest, op zaterdagavond. Ik besluit mijn geluk te beproeven en door te gaan. Geïnspireerd door de gedachte dat ik haar misschien weer tegen zal gaan komen loop ik als een raket. De komende 18 kilometer zijn er nog 2 refugios, dus ik heb keuze.
De weg is weer saai. Een breed pad met aan weerszijden platanen en aan een kant de snelweg. Saai, saai, saai. Het pad wordt opgeleukt met zo af en toe een betonnen wegwijzer met schelp. Temidden van dit niets drink ik in Bercianos del Real Camino een cola in een overdekte buitenbar. Blijkbaar werkt hier niemand, want het is er stikdruk. Siësta is al voorbij dacht ik, tenzij die de hele dag duurt, dan komt er geen eind aan. Net als de saaie weg trouwens, komt ook geen eind aan.
Ik heb vandaag om een of andere reden géén sokken gewisseld en dat kan me door de hitte blaren op gaan leveren. Als ik in de refugio aankom knallen mijn voeten dan ook uit mijn schoenen. Ik weet mijn nieuwsgierigheid naar hun toestand nog even te bedwingen en ik ga even boodschappen doen. Als ik daarna, gezeten op een bankje, toch mijn schoenen uittrek, trek ik gelijk een grote blaar aan de binnenkant van mijn rechtervoet helemaal open. Een enorm gat, nat van blarenvocht en nu ontdaan van de huid. Nu kan daar in ieder geval geen blaar meer komen.
Als ik na de douche aan het koken wil beginnen word ik aan de dis uitgenodigd door een Argentijn die al met wat andere gasten zit te eten. Vlees, salade, aardappelen. Deze uitnodiging wordt door mij in dank aanvaard. Aan de tafel zitten ook de Franse fietsers weer én een Nederlands stel. Het blijkt dat ze ook uit Huizen komen. Ze zijn hier om 2 weken te lopen en gaan dan weer terug met de auto. Ze gaan voor mij 12 flesjes wijn meenemen. Zo ben ik hier toch een beetje thuis en krijg ik thuis toch een beetje van hier.
------------------------------------------------------------------------------------
Dinsdag 9 september 1997
El Burgo Raneros - Léon
38 km (2081 km)
Het gaat me niet makkelijk af om in mijn schoenen te komen vandaag. Dat gaat een beetje pijn doen vandaag vrees ik. Overal zit tape, pleister en second skin. Ik heb gisteren onvoldoende op mijn voeten gelet en dat merk je gelijk, voor zover je er iets aan kan doen als je zoveel kilometers loopt.
Eerst wandelen we weer langs 18 kilometer platanen, lekker saai. Door mijn pijn heen bijtend drentel ik langs een Belg. Hij heeft er nóg meer moeite mee dan ik en hij loopt met 2 stokken. Die haalt Léon niet vrees ik, ik wel. De weg blijft lang en saai tot in Mansila las Mulas waar ik een uitgebreide lunch geniet en de voeten lucht. Ik ben benieuwd of ik mijn schoenen weer aankrijg straks.
Gelukkig lukt dat en ik kan mijn weg vervolgen, op naar Léon. Via een van zand en stenen vergeven pad loopt de route door voorsteden van Léon. Lopen gaat steeds moeilijker, maar goed dat ik vandaag niet zo ver loop. De gedachte aan een eventuele ontmoeting met Jatta vervaagt en ik vraag me af of we elkaar vóór Santiago nog gaan tegenkomen.
In de stad aangekomen volg ik de gele pijlen en beland zo op een pleintje waar 2 Franse dames zitten te wachten. Hier blijkt de refugio te zijn en hij gaat over 10 minuten open. De refugio, die is gevestigd in een voormalig klooster, beschikt over een enorm binnenplein en er wordt geslapen in de sportzaal. De ontvangst is hartelijk, door een taalbarrière brekende Franssprekende Spanjaard. Als ik in de slaapzaal mijn voeten omhoog te ruste leg is de Spaanse man redelijk bezorgd over de toestand van mijn voeten. Ikzelf ben niet minder bezorgd, want het is een puinhoop. Als ik ga lopen ziet het eruit alsof ik nooit meer verder ga komen.
Na een wassessie van zo ongeveer al mijn kleren slenter ik toch nog even de stad in, even uitlopen en de stad verkennen. De stad is groot en vol met mensen. Ik eet een broodje en geniet van het ‘hier zijn'. De kathedraal is fantastisch. Terwijl er een korte dienst aan de gang is geniet ik van het imposante bouwwerk. Ik dacht dat ik al het moois al gezien had op de route, maar dit is weer mooier en indrukwekkender. 's Avonds eet ik alleen een broodje en wat fruit en ga na het schrijven van wat kaarten vroeg naar bed. Kapot, maar voldaan.
![]() |
||||
![]() ![]() Oude brug over de Agra
|
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
| Home | St Jean Pied de Port (F) 13 dagen / 28 augustus - 9 september 1997 |
|||
| Kijk ook op wielenopweg.nl | ||||
| Santiago de Compostela 1997 | ||||
| Boekrecensies | Advertenties |
|||
| Webwinkel | ||||
| Paklijst | |
|||
| Gastenboek | ||||
| Over ons | ||||
| Contact | ||||
| |
||||
| |
||||
| |
||||
| |
||||
| Translate website with Google | ||||
Laatste wijziging 7 juni 2009
© Pieter-Bas de Jong


BEGINNEN
We gaan maar door met moeilijkheden te verzinnen
voor alles wat in wezen heel eenvoudig was
ik wil vandaag opnieuw bij nul beginnen
en ga voorlopig lekker liggen in het gras
Toon Hermans
Puente la Reina
Tegenwoordig wordt het verkeer om de oude stad, waarvan de muren uit de 13 e eeuw zijn, geleid over de moderne brug over de Agra. Moderne pelgrims komen echter net als hun oude broeders de stad binnen en gaan dan door de hoofdstraat, de Calle Mayor, langs de Santiago-kerk en steken dan over de oude brug de Agra over. De brug werd gebouwd aan het einde van de 1 e eeuw in opdracht van koningin Urraca om het pelgrims en andere reizigers makkelijker te maken de rivier over te steken. Urraca was de vrouw van Alfonso VI van Navarra. Sindsdien is de naam van de stad (Puerta la Reina = Brug van de Koningin) een eerbetoon aan de koningin en haar brug.


TWEE SCHOENEN
Twee schoenen zochten een paar voeten
om samen mee op stap te moeten
de linker vond de rechtervoet,
de rechter zat bij links niet goed.
Au twee au twee in de maat
wat een treurig resultaat!
Kees Stip
San Juan de Ortega
Het oude klooster van San Juan de Ortega is een Romaans monument in de provincie Burgos. Het wordt aangenomen dat het gebouwd is door San Juan de Ortega zelf, met behulp van vrienden en een andere heilige, San Domingo de la Calzada. Dit als hulp aan pelgrims die de weg naar Santiago de Compostela liepen. Vandaag de dag vinden pelgrims nog steeds onderdak in het voormalig kooster.
Santo Domingo de la Calzada is bekend door de kathedraal waarin een kip en een haan worden gehouden. Dit houdt verband met de volgende legende:
In de veertiende eeuw was een Duits echtpaar met hun 18-jarige zoon op pelgrimstocht naar Compostela. Tijdens de overnachtng in Santo Domingo probeerde een meisje de zoon te verleiden, maar de jongen ging daar niet op in. Het meisje beschuldigde toen de jongen van diefstal. Hij werd veroordeeld en opgehangen. De bedroefde ouders vervolgden hun weg. Op de terugreis constateerden ze dat hun zoon levend aan de galg hing. Ze gingen naar de rechter, die op dat moment net aan tafel zat. "Die jongen is net zo levend als deze gebraden kip!" zei de rechter. Het vervolg laat zich raden: de kip kwam tot leven en de rechter gaf de jongen aan zijn ouders terug.
De stad León is de hoofdstad van de provincie León in de autonome gemeenschap van Castilië en León, in het noordwesten van Spanje. León ligt op 841 meter hoogte op de Spaanse hoogvlakte en is met 136.414 inwoners de grootste stad van de provincie, die ongeveer een half miljoen inwoners telt. Stad en ommelanden samen hebben zo'n 200.000 inwoners.
