Woensdag 10 september 1997
Léon – Astorga
48 km (2129 km)
Met gezonde tegenzin trek ik, na een goede nacht, de schoenen aan de bepleisterde voeten. Vandaag zie ik wel hoever ik kom, met minimaal Hospital d'Orbigo in gedachten, 31 kilometer verderop. Tijdens het door twee gastheren gemaakte ontbijt ontmoet ik een Nederlands fotografenechtpaar. De man loopt wat lastig en het blijkt dat hij eergisteren zijn enkel verzwikt heeft. Vandaag gaan ze toch proberen verder te komen, wat dapper is want het ziet er knap moeilijk uit wat de man doet om vooruit te komen. En dat is nog zonder rugzak.
Bij vertrek loop ik precies één dag achter Jatta. Ze heeft hier volgens het gastenboek gisteren geslapen. Dat is een vreemd idee. Zo dichtbij, maar toch nog 30 kilometer weg. Dat duurt nog minstens twee dagen om in te lopen, als alles goed gaat.
Via een toeristische route loop ik de stad uit, om vervolgens in een aan de andere kant van de stad gelegen troosteloos stuk van Léon aan te belanden. Die grote steden blijven onprettig, wat nog eens bevestigd wordt bij het passeren van een klaverblad van snelwegen. Een groot hekwerk belet mij de snelweg over te steken. Op zich een goed idee, dat hek. De wandelroute loopt langs de kant van de snelweg verder. Blijkbaar zijn anderen mij voorgegaan en even verderop blijkt het hek laag genoeg om overheen te klimmen. De wandelroute vervolgt zich over de vluchtstrook van de N120. Een beetje saai maar wel snel en niet al te slecht voor mijn beschadigde voetjes. Ik heb minder aandacht voor de omgeving, meer voor de kilometers.
In Villadangos del Páramo lunch ik wat, yoghurt en brood, met de voeten in de lucht. Als ik het plaatsje uitloop ontmoet ik een Duitse jongen die ook in Léon heeft overnacht. We lopen gezamenlijk al pratend naar Hospital d'Orbigo, waar we de lokale bar bezoeken. Twee cola, wat zoetwaren en een half ei verder vervolgen we de weg naar de refugio, waar de Duitser vannacht blijft slapen. Uit nieuwsgierigheid bezoek ik ook de andere plaatselijke refugio en daar blijkt Jatta vannacht te hebben geslapen. Alles wat ik dus vandaag nog loop heeft zij vandaag ook gelopen. Natuurlijk besluit ik door te lopen, daar heb ik geen bedenktijd voor nodig.
Er vanuit gaande dat Jatta 30 kilometer per dag loopt, heb ik haar over twee dagen ingehaald. Dat wordt erg concreet.
De weg ná Hospital is al even saai als ervoor. Volgens de gids loopt de route eigenlijk iets anders, maar ik kies even voor de makkelijke weg om dan vlakbij Astorga van de weg af te buigen naar de stad. Hoog boven de stad, met uitzicht op de prachtige kathedraal, heb ik het helemaal gehad en zijg ineen. Mijn voeten doen pijn en mijn water is op. Het is erg warm en nog ongeveer 4 kilometer. Even doorzetten nog.
De refugio is al aardig vol en niet veel bijzonders. Een kille ontvangst door kaartende meisjes en géén keuken. De refugio wordt gedomineerd door Duitsers die vandaag zijn aangekomen en morgen voor het eerst gaan lopen. Ik ben benieuwd hoe dat gaat met allemaal nieuwe schoenen, zonder kilometers te hebben afgelegd. Zo goed en zo kwaad als het kan maak ik, na de 48 kilometer van vandaag, nog een wandelingetje door de stad. Eten doe ik vandaag in een lokale bar, spaghetti met salade, twee cola en één koffie, voor ongeveer 22 gulden. Prachtig!
In de avond ontmoet ik twee studentes, Hedi en Ina, uit Nederland. Ze keutelen van Roncesvalles naar Santiago in zes weken. Om de tijd van school vrij te krijgen hebben ze een project gemaakt van de tocht, ze studeren aan de kunstacademie. Knap werk … Het is prettig om weer eens in de eigen taal met geïnteresseerde en aardige mensen te praten. We moeten er een punt achter zetten om op tijd naar bed te kunnen gaan, benieuwd naar morgen.
------------------------------------------------------------------------------------
Donderdag 11 september 1997
Astorga - Molinaseca
45 km (2174 km)
Ik ontbijt uitgereid met de twee meiden. Al het in mijn enthousiasme gekochte overtollige etenswaar schenk ik aan hen. Het is, in navolging van gisteren, weer een gezellig gesprek. Dit om het vertrek tot 08u15 uit te stellen. Met een van pijn vertrokken gezicht waar de tranen bijna uitspringen loop ik door Astorga. Even erbuiten is de Camino overhoop gehaald door bulldozers die een nieuwe weg aan het aanleggen zijn. Met de Camino als cultureel erfgoed wordt niet altijd even zorgvuldig omgesprongen.
Met wat geluk weet ik, in het spoor van wat Spanjaarden, toch het eerstvolgende dorpje te bereiken. De weg is saai. Vooral veel asfalt, gruis en een nieuw wit stenen pad. In Rabanal del Camino drink en eet ik wat en informeer ik naar Jatta. Ze heeft hier vannacht geslapen en is vanmorgen vertrokken, vermoedelijk naar Molinaseca.
Voorzien van voldoende water loop ik rond 13u00 Rabanal uit, de bergen in. De weg is prachtig, zowel het uitzicht als de weg waarop ik loop, afgewisseld met de bekende saaie stukken. De weg stijgt niet al te snel en is dus niet zo vermoeiend, ondanks het feit dat ik van 1100 naar 1450 meter hoogte moet klimmen. Het eerste ‘plaatsje' dat ik hier tegenkom is Foncebadon. Er wonen nog maar twee mensen, de rest van de huizen is reeds jaren geleden verlaten, op slot gedaan en vervallen tot ruines. Het is heel bijzonder om hier doorheen te lopen. De geschiedenis is over dit plaatsje heen gewalst en heeft z'n sporen nagelaten of juist weer meegenomen. Het is maar hoe je het bekijkt.
Na Foncebadon volgt een stukje door het struikgewas om op een top wat verderop het ‘Cruz de Ferro' te zien staan. Het bekende kruis in de hoop stenen, waar pelgrims door het werpen van een steen hun zonden en zorgen van zich afwerpen, na een lange pelgrimstocht. De laatste honderden meters naar het almaar groeiende kruis loop ik met mijn steentje in mijn hand, denkend aan al wat ik heb meegemaakt en waarom ik mijn steentje zal bijdragen. Een moment met gemengde gevoelens.
Als ik na het kruis mijn weg vervolg en Monjardin nader, een wederom verlaten dorpje, klinkt bij het in het zicht komen van een nog bewoond huisje luid de bel. Het blijkt de lokale refugio, bestierd door een typisch mannetje met een bril met jampotglazen. De bel werd voor mij geluid, de langskomende pelgrim. Door de waard en acht Spaanse gasten word ik allervriendelijkst ontvangen en onthaald op een stempel en een kop koffie. Een goed gesprek is wat lastig in het Spaans. Desondanks weet ik ze duidelijk te maken dat ik uit Holland ben komen lopen en van plan ben verder te gaan naar Molinaseca. Mijn naam wordt, als passant, opgenomen in het grote boek.
De route na de refugio slingert zich verder over asfalt en door struikgewas om na een steile afdaling voor even te eindigen in El Acebo. Ik ben het even zat en geniet in de plaatselijke bar van een bocadillo met iets onbestemds erop, en een glas cola. Dat had ik even nodig. Nog ongeveer acht kilometer en dan ben ik er voor vandaag.
Na El Acebo wordt de afdaling scherper en lastiger door de vele stenen. De route is echter prachtig en met regelmaat sta ik even stil om van het uitzicht te genieten. Als ik Molinaseca van bovenaf nader zie ik dat zich veel mensen verzameld hebben op een pleintje naast een brug, een plek waar je in de rivier kunt zwemmen. Als ik de brug op loop zie ik Jatta zitten, alléén, schrijvend in haar dagboek. Door het parkje en enigszins verscholen achter een boom loop ik naar haar toe. Ik twijfel even, eerst naar de refugio of eerst naar haar toe? Ik besluit het laatste en met bonzend hart loop ik naar haar toe. Als ik drie meter van haar vandaan ben ziet ze me. Dolenthousiast komt ze op me af en omhelst me, het gevoel is wederzijds. Nog slechts acht dagen geleden deden we hetzelfde, als afscheid. We zijn nu 385 kilometer verder.
Als ik vreselijk moe maar voldaan naast haar zit op het bankje, slaat ze haar arm om me heen. Ze heeft zich vreselijk alleen gevoeld en had zo gehoopt dat ik zou komen. Ze had me alleen niet zó snel verwacht. Mijn vraag of ze het leuk vindt om samen naar Santiago verder te lopen beantwoordt ze met een luid ‘ja'. We gaan samen verder, een vooruitzicht op een mooie laatste week samen lopen. We praten nog meer dan een uur verder, over een niet opgegeven hoop elkaar weer tegen te komen.
Via de lokale winkel, waar we weer als ‘vanouds' boodschappen doen wandelen we naar de refugio. Deze blijkt een druk beslapen huisje aan de rand van het dorp. Naast het huisje staan een paar tentjes en we besluiten er eentje te confisceren. Het slaapt lekker rustig en veel minder warm dan gister, zo buiten, met z'n twee. Mooi ....
------------------------------------------------------------------------------------
Vrijdag 12 september 1997
Molinaseca - Villafranca
31 km (2205 km)
Prachtig nachtje, zo samen. We genieten van elkaars aanwezigheid en de rust en stilte van de tent. Het is bijna acht uur als we opstaan en de refugio is al helemaal leeg. Het is weer leuk om met elkaar te gaan lopen en een gevoel van ongeloof blijft me bekruipen.
Ondanks ons late vertrek strijken we al na acht kilometer neer op een terrasje in Ponferrada, tijd voor koffie. Met z'n tweeën geniet je veel meer van gezelligheid, dat is wel duidelijk. Het wordt een lange dag zo, met de late start en vroege pauze. De weg Ponferrada uit is weer niet al te simpel, maar met wat navraag lukt het ons. De weg zelf blijkt niet echt de moeite waard, we lopen langs de kant van een drukke weg. Als we besluiten om een rustig grasveldje op te zoeken om in de schaduw van onze lunch te gaan genieten, duurt het even voor we op een compromis stuiten. Het veldje is wél groen en in de schaduw, maar gewoon langs de kant van de weg. Het deert ons niet. Op onze uitgespreide Gore-Tex jassen en fleece jacks gaan we zitten en genieten van een uitgebreide lunch met brood, kaas, tomaat en jus d'orange. We slapen zelfs even om de vermoeienissen van voorgaande dagen, een slechte nacht en de emotie van onze ontmoeting gisteren, de baas te worden.
Tijdens onze pauze komen er regelmatig andere lopers voorbij. Sommige van hen hebben we nog niet eerder gezien en we vragen ons af waar die vandaan komen. We zijn immers al ontzettend laat en veel refugios waren er niet tussendoor. We zien wel, misschien komen we ze wel weer tegen. Dan kunnen we het ze vragen. Natuurlijk passeren er ook mensen die we wel al kennen en die lopen luid groetend voorbij. ‘Tot vanavond'.
De weg na de pauze is van dezelfde saaiheid als die ervoor. Saai over de witte streep lopen, ogen en oren gespitst op auto's. We vragen ons af of we goed zitten, er had volgens de beschrijving een pad in de buurt van de weg moeten zijn. We hebben zeker een minuscuul pijltje gemist. Even later blijkt dat we gelijk hebben, als een pad gemarkeerd met gele pijlen de weg kruist. Als we even later ook een wat grotere plaats te zien krijgen zijn we opgelucht, we zijn er misschien bijna. Helaas lijkt de route met een grote boog om de plaats heen te gaan. Jatta is moe en ik verbijt me van de pijn in mijn voeten. We zetten nog even door als kort na de teleurstelling borden van twee refugios ons toch Villafranca in sturen. Het schijnt dat één van de twee refugios in een tent is gevestigd. We nemen de andere dus. Het blijkt een schitterend nieuw huis met verschillende kamers met meerdere stapelbedden en een keuken. Het is in de keuken alleen toegestaan iets ‘op te warmen', wat ons betreft een ruim begrip.
Als we na de douche het plaatsje gaan verkennen blijkt het verrassend leuk. Er staat een kasteel, er kronkelen oude straatjes doorheen en er zijn verrassend veel winkels. In tegenstelling tot veel andere plaatsen die we gezien hebben is het plaatsje vol van leven. De wandeling naar het centrum en terug naar de refugio vereist wat klimwerk, maar het is te doen op mijn sandalen. Mijn voeten hebben vandaag in ieder geval relatieve rust gekregen, met 31 kilometer.
Het avondeten bestaat uit soep aangevuld met twee zakjes Bolino's (noodles). Het is net macaroni zo, maar dan met dunne saus. Beetje brood erbij en veel salade en we kunnen het weer niet op. Daar raak je aan gewend. Nooit boodschappen doen als je trek hebt, dan hou je over.
------------------------------------------------------------------------------------
Zaterdag 13 september 1997
Villafranca – O'Cebreiro
28 km (2233 km)
Het is weer laat als we na een lekker ontbijtje als een van de laatsten de refugio verlaten. We lopen de ‘moeilijke' route de bergen in. De makkelijke is via de weg en dus onaantrekkelijk en gevaarlijk. We kiezen voor schoonheid en zweet, wat we direct merken als we beginnen met een steile klim. De route is prachtig als we langs de berghelling hoger en hoger klimmen door het struikgewas. We laten de weg ver onder ons en wanen ons in een niemandsland als we even vóór Pradela een man met twee stokken passeren alsof hij stil staat. Naar blijkt is het een Duitser op leeftijd die uit Keulen is komen lopen. De reden van die twee stokken is dat hij een kunstbeen heeft. Hij loopt naar Santiago omdat de doktoren hem hadden gezegd dat het niet kon. Tot hier heeft ie het in ieder geval gehaald, op zich al bewonderenswaardig. Dat hij ook nog eens de lastige route door de bergen neemt is dubbel dapper.
Pradela blijkt een oase met gras en dieren in het inmiddels wat glooiender landschap, ver van alle vormen van welvaart. We zien het land geploegd worden door ossen; tractoren zijn niet te bekennen. We wanen ons honderd jaar terug in de tijd en maken van deze bezienswaardigheid geen foto's. Het staat in ons geheugen gegrift, als een soort verloren paradijs.
Via een steile afdaling waar we de Duitser weer passeren lopen we net om het plaatsje Trabadelo heen. De hoop op een spoedige pauze mét een lekkere kop koffie is vervlogen. Terug lopen doen we nog steeds niet en we pauzeren maar even op de grond. Als we na enkele kilometers, lopend langs een weg, een wegrestaurant tegenkomen wordt ons geduld weer beloond.
Kort na deze koffiepauze verlaat het pad de weg om ons door een heel ander landschap te voeren. Het is hier scherp heuvelachtig, ontzettend groen en bezaaid met kleine, van koeienmest vergeven dorpjes. Het is wel duidelijk hoe men hier de kost probeert te verdienen. De achtertuin van Spanje, noemt Jatta het. Het is een betoverend landschap met toch een wat trieste uitstraling. De meeste dorpjes zijn deels verlaten en verwacht kan worden dat ze over niet al te lang compleet verlaten zullen zijn. De toekomst walst over deze plaatsjes heen, om lege huizen achter te laten.
In Vega de Valcarce houden we halt voor de lunch, na inkopen te doen in de plaatselijke Alimentacion. Zo hoeven we niet lang met het eten te lopen. Na de lunch wandelen we verder door de achtertuin van Spanje, van plaatsje naar plaatsje. Onder het veelvuldig passeren van verbaasd kijkende koeien en hun poep klimmen we hoger en hoger om uiteindelijk op 1100 meter hoogte uit te komen.
Naarmate de tijd vordert en we geen teken van enige refugio of O´Cebreiro tegenkomen bekruipt ons het gevoel dat we iets gemist moeten hebben. Schier onmogelijk want er was niks, dus dan kan je dat ook niet missen. Het wordt later en later terwijl de kilometers blijven komen. We klimmen veel en steil over rotspaden, om te zien dat er nog steeds niks is. Gelukkig blijven we gemotiveerd en we lachen wat af, gesteund door de gedachte dat we eten bij ons hebben en een tent. Alles komt sowieso goed is onze gedachte. Wat hoger op de berg ontwaren we een hijskraan. We hebben net even de tijd om ons af te vragen of dat onze bestemming zal zijn, als de hijskraan wordt verzwolgen door overtrekkende mist. In de mist passeren we de provinciegrens met Galicia, de groene provincie waar Santiago de Compostela in ligt. Het groene komt niet vanzelf tot stand, het kan hier veelvuldig regenen.
We kijken uit naar wat er komen gaat, als we de bebouwing van O´Cebreiro naderen en zowaar wat mensen zien lopen. Het blijkt een klein plaatsje met wat huizen, een kerk, enkele bars, een restaurant en een grote refugio. Immens groot, opdoemend uit de mist. In eerste instantie wordt ons gemeld dat de refugio met z´n 300 bedden vol is en dat we op de grond moeten slapen. Na wat navraag blijken er toch nog bedden vrij te zijn. Gelukkig, we zijn moe en koud.
Na een heerlijke warme douche wandelen we, gestoken in het lang, met fleece en Gore-tex jas aan, het plaatsje in en gaan even zitten in de kerk. De stilte is sereen en onze koude handen warmen zich aan elkaar. De 28 kilometer van vandaag waren lang. Langer dan anders. Een gevoel van weemoed komt in me op en in gedachten denk ik aan mijn reis en onze ontmoeting ...
------------------------------------------------------------------------------------
Zondag 14 september 1997
O'Cebreiro - Sarria
39 km (2272 km)
Gestoken in warme kleding verlaten we O'Cebreiro om er al snel achter te komen dat het op deze hoogte zo koud nog niet is. We lopen wat kilometers door om vlak voor het bereiken van het laatste hoge punt op mijn reis op 1337 hoogte, van de weg af te slaan. Via een schilderachtig plaatsje komen we uit bij een steil klimmetje met aan het einde daarvan, verrassend genoeg, een café. Daar zitten alle medelopers en fietsers te genieten van de ontspanning en een bakje koffie. Die koffie laten wij ons ook goed smaken om onze weg daarna te vervolgen in kleding die is aangepast aan de temperatuur.
De weg voert ons langs een theatraal groot beeld van een pelgrim en via meer schilderachtige plaatsjes naar Tricastella. In Tricastella nemen we op een terrasje plaats en raken in gesprek met een Waalse Belg die na Santiago nog naar Rome gaat lopen. Ambitieus plan, van een excentriek ogende man met karakter. Ben benieuwd of hij dat gaat redden. Zeggen is één, doen is twee.
Nadat we besloten hebben dat we vandaag naar Sarria gaan lopen, met een dagafstand van 39 kilometer, eten we een maaltijdsoep en salade. Twee bocadillos gaan mee voor onderweg. De volgende 15 kilometer zijn er verder geen voorzieningen en zo weten we ons goed voorbereid op een route die ons voert door een onbewoond en ongerept groen heuvellandschap. Het is een Frans aandoende omgeving met vergezichten over dalen, groene weiden afgescheiden door stenen muurtjes en veel bomen. De omgeving is om stil van te worden. Ik besef me dat het een voorrecht is om hier te mogen lopen. Als ik me omdraai om te zien waar Jatta is, zie ik dat ze loopt te huilen. Op mijn vraag waarom antwoordt ze dat ze zich compleet gelukkig voelt. Ik krijg er een brok van in mijn keel en samen genieten we ervan. Een moment om te koesteren en te blijven herinneren.
Als we Sarria in lopen hebben we wat moeite met het vinden van de refugio en voor we het weten lopen we er aan de andere kant weer uit. Een fijne toegift op de 39 kilometer van vandaag. Bij navraag blijkt dat niet wij abuis waren, maar dat het totaal niet staat aangegeven. We zijn blij de refugio uiteindelijk te vinden en rusten welverdiend uit. In de refugio ontmoeten we Paul uit Rotterdam. Paul is met z'n vriendin aan de wandel. Hij is op 2 maart (al) vertrokken van huis en zijn vriendin wandelt sinds de Pyreneeën met hem mee. We hebben een erg leuk gesprek en Jatta introduceert me als ‘de man van de vele kilometers'. Een mooie naam, met dank aan haar. Trots?
------------------------------------------------------------------------------------
Maandag 15 september 1997
Sarria - Gonzar
29 km (2301 km)
Ook vandaag start de dag voor ons behoorlijk traag door als een van de laatsten op te staan en vervolgens eerst in de stad te gaan ontbijten. We zijn door al ons eten en drinken heen en dat vraagt om ‘buiten de deur eten'. Als we vervolgens ook nog eens boodschappen gaan doen en brood gaan halen is het pas 09u30 als we de eerste stappen de goede kant op doen. De route is alweer prachtig en voert ons door een betoverend landschap van dorpje naar dorpje. Regelmatig lopen we hand in hand en zo delen we de schoonheid van het land.
Vandaag passeren we het 100 kilometerpunt, wat betekent dat we nog maar 100 kilometer te gaan hebben. Bij het paaltje dat deze grens markeert staan Paul en Sanne te wachten. Handig dat ze er zijn, kunnen ze een foto van ons maken. Een gedenkwaardig moment.
We lopen samen een stukje op en strijken neer bij het volgende bar-café voor een koffie en een gesprek. Hierna scheiden onze wegen en gaan Jatta en ik weer samen verder, richting Portomarin. Een leuk stadje met een schaduwrijk park. We genieten er van onze lunch en slapen wat onder de bomen. Als we na de pauze het stadje weer uitlopen komen we Engelse fietsers (die we later nog vaker zullen zien) en Paul en Sanne weer tegen.
Het is al tegen zessen als we besluiten nog acht kilometer door te lopen naar Gonzar. De route ernaartoe is saai; over een pad langs de weg. De refugio blijkt een aardig gebouwtje langs diezelfde weg. De refugio wordt vannacht bewoond door ons tweeën en een wat norse Franstalige Belg die Jatta in korte bewoordingen ondervraagt en toespreekt. Een typisch mannetje, die na het nuttigen van één liter rode wijn bij zijn avondeten als een blok in slaap valt. Ons meegedragen eten smaakt ons prima. Macaroni, tomato frito en een lekker toetje met koekjes. We sluiten de avond af met een goed en eerlijk gesprek. Hebben wij samen een kans in de echte wereld? Ik denk van niet. De camino is anders ...
------------------------------------------------------------------------------------
Dinsdag 16 september 1997
Gonzar - Melide
32 km (2333 km)
We vertrekken weer laat voor één van de laatste dagen. Door Galicisch landschap lopen we naar Palas del Rei. Een bijzonder onaantrekkelijk plaatsje. Het is vrij nieuw en is gelegen aan een drukke weg, die er als een centrale as doorheen loopt. Een vreemde gewaarwording, nadat we in eerste instantie het plaatsje inliepen via een idyllisch gehuchtje.
In het nieuwe plaatsje proberen we een pastelleria te vinden om ons tegoed te doen aan allerlei zoetigheden, maar we slagen er niet in. Dan maar naar de plaatselijke supermarkt om de lunch te kopen, waarna we op een terrasje aan de iets té drukke weg gaan zitten en ons alsnog tegoed doen aan zoete koekjes bijgestaan door een bakje koffie.
Als we de stad een paar kilometer achter ons gelaten hebben besluiten we, ondanks dat we langs de drukke weg lopen, even te gaan zitten in het gras. We zijn onderweg naar Melide, de voorlaatste overnachting van mijn tocht. Het is moeilijk voor te stellen dat er overmorgen een eind komt aan de lange reis en aan het samenzijn met Jatta. Eigenlijk hebben we geen zin in het einde en daarom pauzeren we zo vaak.
De refugio in Melide is groot en na wat huishoudelijke werkzaamheden zoals wassen, douchen en bed opmaken gaan we even de stad in. Het is al laat en we kunnen maar kort van ons terrasbezoek genieten, omdat we ook nog even boodschappen moeten doen voor vanavond en morgenochtend voordat de supermarkt dichtgaat. Best druk, zo'n wandeldag.
------------------------------------------------------------------------------------
Woensdag 17 september 1997
Melide - Arca
33 km (2366 km)
Na een bijzonder goede nacht, dankzij het feit dat er geen snurkers waren, ontbijten we uitgebreid met yoghurt, chocolademelk, koffie en brood met tomaat. We beloven beterschap en zullen morgen, de laatste dag, erg vroeg opstaan om op tijd in Santiago aan te kunnen komen. Ook besluiten we om vrijdag naar Finisterre te gaan en daarna samen naar Madrid af te reizen.
In Arzua, een op het eerste gezicht weer saai stadje direct aan de weg, vinden we in onze zoektocht naar een pastelleria een leuk cafeetje dat wordt bestierd door een oude Franse dame. We genieten van koffie en zoet gebak. Niet lang daarna nemen we alvast een voorschotje op de lunch op het schaduwrijke plein en lopen met de rest van de lunch in de rugzak verder, de immer groene ruimte in. Onder het af en toe tegenkomen van ‘lotgenoten' wandelen we ongeveer acht kilometer tot we een stuk gras mét schaduw ontwaren. Een mooie plek om de rest van de lunch te gebruiken. We zitten en liggen rustig in het gras terwijl medepelgrims regelmatig langs wandelen en fietsen. Het is nog maar een paar kilometer naar Arca.
Arca beschikt over een nagelnieuwe refugio aan de drukke weg, met een supermarkt er vlak naast. Erg handig zo. Er is een enorme groep Spanjaarden in de refugio neergestreken en er zit één Engelsman. Hij heeft voor een weeshuis aan macaroni gemaakt, maar de Spanjaarden hebben er geen trek in. Wij wel en we maken dankbaar gebruik van zijn aanbod. Dat maakt het eten voor vanavond wel erg simpel, zelfs met een supermarkt naast de deur. We eten later alleen nog maar een salade en wat brood, met koekjes toe.
De laatste avond op de camino, een raar gevoel. 12 weken onderweg zijn loopt op z'n eind. Ben benieuwd hoe dat voelt ... als het stopt.
------------------------------------------------------------------------------------
Donderdag 18 september 1997
Arca – Santiago de Compostela
18 km (2384 km)
De laatste dag, vandaag wordt de tocht voltooid. Nog 18 kilometer te gaan tot Santiago. Ik wil de aankomst voor me uitschuiven en tegelijkertijd wil ik er ook zijn. Onderweg zijn is fantastisch, de laatste week met name dankzij Jatta. Naar huis gaan om mijn familie en vrienden weer te ontmoeten is ook prachtig. Het is een grappige tegenstelling.
Voor het eerst sinds we samen lopen, gaan Jatta en ik vroeg op pad. We zijn zelfs al onderweg als het nog donker is. Het eerste stukje is langs de weg. Om op de camino zelf te komen moeten we eigenlijk een stukje terug, maar als we de weg volgen dan kruisen we hem vanzelf. Jatta heeft er zin in en weet het tempo aardig op te voeren. Met mijn zere teen volg ik in haar kielzog. Na drie kilometer slaan we van de weg af, een idyllisch bospaadje in. Alsof we lopen door loopgraven vervolgen we het pad door een donker bos, dat later overgaat in bos met enorm hoge eucalyptus bomen. De bomen met de loslatende schors bieden een trieste en tegelijk ook weer vrolijke aanblik. Triest vanwege de neerhangende schors en vrolijk vanwege de helderheid en kleurschakeringen van bladeren en stam.
Santiago komt alras dichterbij als we de Monte de Gozo beklimmen, de laatste heuvel voor Santiago. Deze is bekend vanwege de enorme 800 bedden tellende refugio die zich hier bevindt. De bebouwing van de stad is in zicht, nog 4 kilometer. Door deze bebouwing lopen we naar het centrum en trakteren onszelf op een enorme berg zoetwaren bij een lokale bakkerij. Zelfs het aanzicht van de etalage doet je tandglazuur al barsten.
Het oude centrum van de stad is gelijk aan dat van elke andere Spaanse stad. Smalle straatjes met hoge bebouwing waar de zon maar moeilijk het straatniveau bereikt. Het verschil is dat hier ineens de torens van de kathedraal te zien zijn, waardoor we ons realiseren dat dit het eindpunt is. Als we het plein van de kathedraal oplopen betekent dat het eindpunt van onze tocht, het eindpunt van mijn reis.
Als we elkaar gefeliciteerd hebben met deze mooie overwinning gaan we eerst onze compostelanas ophalen. Het ‘pelgrimsdiploma' als bewijs van het voltooien van (een deel van) de route is een mooi stukje papier, maar voor mij persoonlijk van weinig waarde. De gedachte die erachter zit is veel belangrijker en de stempels die ik heb verzameld, met name die in Frankrijk, veel mooier.
Onder toeziend oog van een grote groep Duitsers nemen we samen plaats op een terrasje op het plein naast de kathedraal. We zijn een aardige bezienswaardigheid, zo met onze rugzakken met Sint Jacobsschelp erop. Als ik koffie ga halen en even later terugkom zit Jatta bijna te huilen. De belangstelling wordt haar een beetje te veel geloof ik. Zij, en ook ik, realiseert zich dat ze iets bijzonders heeft gepresteerd. Iets waar anderen niet aan kunnen komen en zich geen voorstelling van kunnen maken. Ik heb bijna 2400 kilometer te voet afgelegd ... Momenten als deze laat ik over me heen komen. Als ik er later aan terugdenk zal ik er de waarde van inzien, nu geniet ik ervan.
Nadat we een aardig en klein hotelletje hebben gevonden, laten we eerst eens even de kleren wassen in een wasserette. Ik loop een uurtje rond door de stad in de korte broek van Jatta en mijn fleecejack, om al mijn kleren de kans te geven even ‘mee te draaien'. Onze outfits vragen om wat nieuwsgierige blikken, schijnbaar omdat we er nogal sjofel uitzien zo, met onze grote bergwandelschoenen eronder. Het is pas de tweede keer deze reis dat mijn broek machinaal wordt gewassen, dus het mag wel eens.
We eten en drinken wat om de tijd door te komen en proberen naar huis te bellen om het thuisfront het goede nieuws van onze aankomst mee te kunnen delen. Helaas krijgen we geen contact, we moeten nog even geduld hebben.
Onze laatste wandeldag eindigt met de mis in de kathedraal. De kathedraal zelf is indrukwekkend, de mis op zich niet. We laten deze al gauw voor wat die is en lopen een toeristisch rondje door de kerk, door de crypte langs de zilveren kist met de overblijfselen van Sint Jacobus en dwars over het altaar met uitzicht over de medepelgrims die de dienst volgen.
Het zit erop. Met mijn tocht ben ik deel van de geschiedenis. Mijn voetstappen zijn vereeuwigd in de tijd, de gedachten voor altijd bij mij.
------------------------------------------------------------------------------------
Naschrift
Twaalf jaar heb ik erover gedaan om ertoe te komen mijn handgeschreven dagboek digitaal uit te werken. Mijn dagboek, dat nog niet eerder door een ander gelezen was. De precieze reden van deze lange ‘wachttijd' is mijzelf ook niet duidelijk.
Misschien was het nog geen tijd om anderen inzage te geven in mijn geschreven gedachten of was ik bang de pelgrimstocht definitief af te sluiten.
Nu ik klaar ben weet ik dat geïnteresseerden mijn gedachten graag lezen en het leuk vinden zich mee te laten nemen op mijn tocht.
Nu ik klaar ben weet ik ook dat mijn pelgrimstocht nooit af is. Er is geen Pieter-Bas van vóór de tocht of erna. Er is het simpele feit dat ik die tocht gemaakt heb en die tocht is deel van mij.
Huizen, oktober 2009
![]() |
||||
Wie wel ‘ns wn dan heel hoe het haasje kalm de koolraap- die wil zeker vóór hij 't haas- Jules Deelder xxx
|
![]() |
![]() |
![]() |
![]() |
| Home | Léon (ES) 9 dagen / 10 september - 18 september 1997 |
|||
| Kijk ook op wielenopweg.nl | ||||
| Santiago de Compostela 1997 | ||||
| Boekrecensies | Advertenties |
|||
| Webwinkel | ||||
| Paklijst | |
|||
| Gastenboek | ||||
| Over ons | ||||
| Contact | ||||
| |
||||
| |
||||
| |
||||
| |
||||
| Translate website with Google | ||||
Laatste wijziging 7 juni 2009
© Pieter-Bas de Jong
Astorga
Het nog deels door laat-Romeinse muren omgeven Astorga is een oude bisschopsstad, fraai gelegen op een uitloper van het Manzanal gebergte en werd reeds door Plinius 'urba magnifica' (prachtige stad) genoemd; zij had in de 9de eeuw haar bloeitijd als bedevaartplaats van de Jacobsweg.






ZELF
Wij zullen moeten kiezen
de waarheid of de schijn
je kunt jezelf verliezen
door nooit jezelf te zijn

Cruz de Ferro


